• Een nieuwe wondzalf op basis van honing

    Toekomst ligt in het verleden

    In de geschreven bronnen van de vroegste beschavingen, is er reeds sprake van honing om wonden te genezen. Zo is het oudste voorschrift voor medicinaal gebruik teruggevonden op een Sumerische kleitablet van ca. 2000 v. C. In spijkerschrift staat er geschreven: ‘… wrijf alles fijn tot poeder dan kneed het met water en honing … sprenkel er wat olie en warme cederolie overheen …’ . De paleografen menen dat het hier gaat om fragmenten van een recept voor de behandeling van een wonde of van een huidaandoening.

    De Oude Egyptenaren kenden veel medische toepassingen van honing. De ontcijfering van de zgn. Smith-papyrusrollen (1800 v. C.) onthulde 48 gevallenstudies van wondbehandeling. Eén ervan beschrijft een gapende wonde (tot op het bot) boven de wenkbrauw. Het voorschrift luidde als volgt: ‘…nadat de wonde genaaid is, binde men een vers stuk vlees op de wonde voor de eerste dag. Wanneer de hechtingen loskomen of de wonde open gaat, terug samen drukken en dagelijks inwrijven met honing en vet, tot de patiënt hersteld is …’.

    De Oude Grieken namen vele recepten van de Egyptenaren over en Hippocrates, de vader van de moderne geneeskunde, beweerde ca. 450 v. C.: ‘…honing zuivert zweren, verzacht de harde korsten op de lippen, geneest karbonkels en etterende wonden.’

    Met de herontdekking van de Antieke auteurs tijdens de Renaissance (zestiende eeuw), geraakte die kennis ook in het Westen bekend en werd ze hier ook toegepast. De verscheidenheid aan wonden was destijds even groot als nu. Ook toen werd men geconfronteerd met brandwonden, oorlogsverminkingen, operatiewonden en smerige, stinkende zweren die het leven van de patiënt bedreigden. In al die gevallen, zo stelde men vast, had de patiënt er baat bij wanneer de barbier of de chirurgijn de wonde schoonmaakte, ze vervolgens instreek met honing en olie of vet en ze met stroken linnen verbond.

    Een interessant recept uit de zestiende eeuw komt van ene Valerius Cordus (1515-1544) die voor een kwetsuur het volgende voorschrift opgaf: ‘…Meng een eetlepel honing en een eetlepel schapenvet met het wit van een ei. Voeg voldoende meel toe om een zalf te maken. Deze aanbrengen op de zere plek en het geheel omzwachtelen met linnen of katoen …’.

    Met een sprong in de tijd naar de achttiende eeuw, komen we uit bij de Engelse dokter John Hill. Hij schreef een lijvig boek The Virtues of Honey (1759) met de bedoeling zijn collega’s te overtuigen dat honing een probaat middel was om ziekten en wonden te behandelen. In de twintigste eeuw verwierf honing meer aanzien, vooral dan als een uitzonderlijk voedingmiddel dat de gezondheid en het welbevinden in hoge mate kon bevorderen. Maar, hoewel de honingpot ‘de beste huisapotheek’ genoemd werd, kreeg hij nooit de status van officieel erkend geneesmiddel. De farmaceutische lobby in het geïndustrialiseerde Westen was immers niet geïnteresseerd in een comeback van honing als heelmiddel. In het arsenaal van scheikundige producten was er wel een oplossing voorhanden voor om het even welk verzorgingsprobleem, zo leek het althans.

    In het laatste kwart van de vorige eeuw echter, werden als maar meer gevallen gesignaleerd van ongeneeslijke wonden, doordat de infecterende bacteriën resistent geworden waren tegen de aangewende antibiotica. Toen begonnen onderzoekers zich af te vragen of ze de oplossing voor dit probleem misschien kon vinden in de behandelingwijzen uit het verre verleden. ‘Back to future!’, zo luidde de leuze.

    Dr. Theo Postmes, pionier